Inleiding

Woekerpolissen – officieel heten ze beleggingsverzekeringen – werden in de jaren negentig en begin van deze eeuw massaal verkocht. Houders legden premies in, waarmee vervolgens werd belegd op de beurs. Pas later kwam het besef dat de financiële producten met hoge kosten kwamen, terwijl de opbrengst vaak tegenviel. De onvrede was groot en claimstichtingen schoten als paddenstoelen uit de grond, zelfs na verschillende schikkingen tussen 2008 en 2010.[1] Rechtszaken duurden echter lang en resulteerden niet in grote successen. Uiteindelijk verdwenen de woekerpolissen uit het nieuws en werden ze vergeten. Maar nu lijken plots de juridische kansen te keren: “Hoge Raad geeft juristen nieuw speelveld bij woekerpolissen” schreef het Financieele Dagblad op 14 februari 2022.[2] De betreffende uitspraak van de Hoge Raad op 11 februari 2022 heeft inderdaad consequenties voor houders van woekerpolissen, maar de uitspraak gaat verder dan dat.[3] De uitspraak gaat in algemene zin over de verhouding tussen Europees financieel toezichtrecht (de Derde Levensrichtlijn) en het Nederlandse privaatrecht. De op publiekrecht gerichte richtlijnen beïnvloeden zowel direct (strijd met een wettelijke plicht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW) als indirect (invulling van open privaatrechtelijke normen) privaatrechtelijke normstelling, maar de vraag resteerde hoe ver deze wisselwerking gaat. Mogen civiele rechters strenger zijn dan volgt uit Europees financieel recht? Dit raakt aan het vraagstuk van de mate van Europese harmonisatie van het privaatrecht. In de onderhavige uitspraak gaat de Hoge Raad op deze kwestie in.[4]

Achtergrond en prejudiciële vragen

Ten tijde van de woekerpolissen bepaalde de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (‘RIAV 1998’) welke informatie verzekeraars over beleggingsverzekeringen moesten geven. De regeling was een implementatie van de in art. 31 Derde Levensrichtlijn neergelegde informatieplichten. Verzekeraars moesten werken met rekenvoorbeelden, maar hoefden niet expliciet de kosten te vermelden. Tot nu toe werd in rechtszaken gefocust op de vraag of verzekeraars zich aan de informatieverplichting uit RIAV 1998 hadden gehouden. Veelal was dit het geval: de regeling bevatte immers een relatief soepele informatieverplichting en verplichtte verzekeraars niet om de kosten uitdrukkelijk te vermelden.

De focus in het huidige arrest is verschoven naar de vraag of het voldoende is dat een verzekeraar – hier Nationale Nederlanden – zich aan RIAV 1998 heeft gehouden, of dat de algemene civiele regels over informatievoorziening ook van toepassing zijn. De redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) zouden dan een precontractuele informatieplicht opleggen aan de verzekeraar. Dit zou betekenen dat een verdergaande informatieverplichting wordt aangenomen dan welke voortvloeit uit RIAV 1998, de Europese publiekrechtelijke regeling. Het Gerechtshof Den Haag heeft twee prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd over deze kwestie:[5]

1.  Brengt naleving door een verzekeraar van de in RIAV 1998 neergelegde toezichtrechtelijke informatieplichten mee dat deze verzekeraar in het algemeen daarmee ook aan zijn privaatrechtelijke verplichtingen heeft voldaan?

2. Zo nee, moeten dan aanvullende informatieverplichtingen die op grond van Europese en/of Nederlandse (open) normen worden aangenomen, voldoen aan de door het Europese Hof van Justitie (‘HvJEU’) in de arresten Axa Royale Belge en Nationale Nederlanden/Van Leeuwen geformuleerde criteria?[6]

De rechtsoverwegingen

De Hoge Raad begint met de stelling dat het burgerlijk recht ook van toepassing is op de rechtsverhouding tussen een verzekeraar die een woekerpolis aanbiedt, sluit of heeft gesloten met een verzekeringnemer.[7] Daarna zoekt de Hoge Raad aansluiting bij het HvJEU, in het bijzonder de uitspraak Nationale Nederlanden/van Leeuwen. Lidstaten hebben de principiële vrijheid om naar eigen inzicht vorm te geven aan privaatrechtelijke normstelling, zij het met inachtneming van de algemene beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit.[8] Art. 31 lid 3 Derde Levensrichtlijn biedt de mogelijkheid dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht – zoals open en/of ongeschreven regels – gehouden is de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op die vermeld in de richtlijn. Daarvoor moet wel voldaan worden aan een aantal vereisten, waarbij het aan de rechter is om te beoordelen of hieraan voldaan is. De verlangde informatie moet (i) duidelijk en nauwkeurig zijn, (ii) noodzakelijk zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis, en (iii) zij moet voldoende rechtszekerheid waarborgen.[9]

Deze voorwaarden zijn reeds eerder uitgediept door het HvJEU in Nationale Nederlanden/ Van Leeuwen, waar de Hoge Raad ook uitgebreid naar verwijst in zijn uitspraak. Overigens lijkt er niet veel waarde te worden gehecht aan het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de formulering van “voldoende mate van rechtszekerheid” kan worden afgeleid dat absolute rechtszekerheid niet hoeft te worden gewaarborgd. Hierbij wordt de bal teruggespeeld naar de verzekeraar: het is aan hem om de aard en de kenmerkende eigenschappen van de door hem aangeboden producten te bepalen en hij weet het beste welke aanvullende informatie op basis daarvan moet worden verstrekt.[10]

Concluderend heeft de Hoge Raad in het onderhavige arrest bevestigd dat een verzekeringnemer aanspraak heeft op rechtsbescherming, ook in een geval waarin de verzekeraar de toezichtrechtelijke informatieplichten uit RIAV 1998 heeft nageleefd. Daarvoor moet de naar maatstaven van burgerlijk recht bestaande additionele informatieverplichting wel voldoen aan de drie voorwaarden die reeds in Axa Royale Belge zijn geformuleerd en in Nationale Nederlanden/Van Leeuwen zijn uitgewerkt. Hiermee luidt het antwoord op de eerste prejudiciële vraag ontkennend en is het antwoord op de tweede judiciële vraag bevestigend beantwoord. De Hoge Raad vindt een uitgebreide motivering voor dit oordeel blijkbaar niet noodzakelijk, maar concludeert simpelweg dat dit “volgt uit het Nederlandse burgerlijk (proces)recht, art. 31 lid 3 DLR en de aan die bepaling door het HvJEU gegeven uitleg. Het sluit ook aan bij de bedoeling van de Nederlandse wetgever”.[11]

Tot slot

Samenvattend is het achteraf gezien niet voldoende dat verzekeraars bij het verstrekken van woekerpolissen de RIAV 1998 als een checklist hebben opgevat, waarbij afvinken daarvan garandeerde dat zij zich van zowel hun publieke als privaatrechtelijke verantwoordelijkheid hebben gekweten. Nu is het aan de lagere rechter om te beoordelen of Nationale Nederlanden voldoende informatie heeft verstrekt onder de uitgebreidere civielrechtelijke zorgplicht. De uitspraak heeft verder uiteraard niet alleen gevolgen voor Nationale Nederlanden, maar voor alle verzekeraars die woekerpolissen hebben verkocht. In de toekomst zal moeten blijken of verzekeringnemers met deze uitspraak in hand wel bot kunnen vangen. Het einde van de verschillende procedures inzake woekerpolissen is in ieder geval nog niet in zicht.

kjlkzjfkjhaokjakl;sdm;akfnd;lksnma;lkm


[1] Zo heeft bijvoorbeeld stichting Woekerpolis schikkingen bereikt met SNS Reaal, Aegon en ASR, zie https://www.woekerpolisproces.nl/woekerpolis/asr-woekerpolis.

[2] C. de Horde, “Hoge Raad geeft juristen nieuw speelveld bij woekerpolissen”, FD, https://fd.nl/bedrijfsleven/1430320/hoge-raad-geeft-juristen-nieuw-speelveld-bij-woekerpolissen.

[3] HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:166.

[4] De Hoge Raad heeft zich niet uitgelaten over de vragen of verzekeraars op enig moment op grond van maatstaven van burgerlijk recht verplicht waren om aanvullende informatie te verstrekken en zo ja, welke aanvullende informatie verzekeraars dan hadden moeten verstrekken. Deze vragen vallen buiten het bereik van de prejudiciële vragen.

[5] Gerechtshof Den Haag 23 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:302.

[6] HvJEU 5 maart 2002, ECLI:EU:C:2002:136 (Axa Royale Belge); HvJEU 29 april 2015, ECLI:EU:C:2015:286 (Nationale Nederlanden/Van Leeuwen).

[7] R.o. 3.3.

[8] HvJEU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:344 (Genil/Bankinter); M.W. Wallinga, “Financiële dienstverlening, publiekrechtelijke gedragsregels en privaatrechtelijke normstelling: lessen uit Duitsland en Europa”, NTBR 2014/35; M.W. Wallinga & O.O. Cherednychenko, “Nationale Nederlanden/Van Leeuwen: was de uitspraak het wachten waard? Over Europese harmonisatie van het nationale privaatrecht, het rechtszekerheidsbeginsel en de betekenis voor beleggingsdienstverlening”, NTBR 2016/3.

[9] R.o. 3.7.2.

[10] HvJEU 29 april 2015, ECLI:EU:C:2015:286 (Nationale Nederlanden/Van Leeuwen).

[11] R.o. 3.7.4.

Previous post

Het toezicht ter bescherming van beleggende jongeren

Next post

Achterstallige pensioenpremies en de WHOA: binnenboord of buitenboord?