1. Inleiding

Rechtspersoonlijkheid is fascinerend. De rechtspersoon is een juridische fictie die vele praktische voordelen met zich brengt. Zo kent de rechtspersoon een eigen afgescheiden vermogen, zijn er op fiscaal gebied zekere pluspunten te ontwaren en is het voor rechtspersonen eenvoudig om kapitaal aan te trekken. In sommige gevallen is het echter wenselijk of noodzakelijk dat een rechtspersoon wordt ontbonden. Het ontbinden en verbieden van rechtspersonen is de afgelopen jaren in de media en rechtsliteratuur uitgebreid aan bod gekomen. Denk aan het door de rechter verbieden en ontbinden van ‘Outlaw Motorcycle Gangs’ (hierna: OMG’s) zoals Bandidos en Satudarah op verzoek van het Openbaar Ministerie (hierna: OM).[1] Onder andere naar aanleiding van deze ontwikkelingen is in het regeerakkoord van Kabinet Rutte III voorgenomen nieuwe regels in het leven te roepen om het verbieden en ontbinden van ‘antidemocratische rechtspersonen’ te vereenvoudigen.[2] Deze wetgeving is in aantocht, maar kent de nodige haken en ogen.

In deze update licht ik de voorgenomen wetswijzigingen toe. Allereerst bespreek ik in hoofdlijnen het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (par. 2).[3] Dit wetsvoorstel introduceert onder meer enkele wijzigingen van artikel 2:20 BW. Vervolgens ga ik kort in op enkele aspecten van het wetsvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties (par. 3).[4] Dit wetsvoorstel voorziet in een alternatief en bestuurlijk traject voor het verbieden en ontbinden van rechtspersonen. Ik sluit deze update af met een conclusie (par. 4).

  1. Wetsvoorstel verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen

Artikel 2:20 BW maakt het verbieden en ontbinden van rechtspersonen mogelijk.[5] Naar huidig recht kan het OM de rechter verzoeken tot verbodenverklaring en ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, indien de werkzaamheden van de rechtspersoon in strijd zijn met de openbare orde. Als het doel van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, kan de rechtspersoon enkel worden ontbonden. Op 18 december 2019 is door de minister voor Rechtsbescherming een wetsvoorstel ingediend dat beoogt de regeling van artikel 2:20 BW – en met name het begrip ‘openbare orde’ – te verduidelijken en de toepassing van het artikel te vergemakkelijken.[6] De thans geldende bepaling volstaat volgens de minister niet om OMG’s op effectieve wijze aan te pakken. Met de herziening van artikel 2:20 BW kan tegemoet worden gekomen aan de vraag naar een daadkrachtigere aanpak van OMG’s en andere antidemocratische organisaties.

Wat houdt het wetsvoorstel concreet in? Allereerst trekt het wetsvoorstel de criteria ‘werkzaamheid in strijd met de openbare orde’ en ‘doel in strijd met de openbare orde’ gelijk; in het nieuwe artikel 2:20 BW zijn beide namelijk een grondslag voor ontbinding én verbodenverklaring.[7] Ook wordt, zoals al kort opgemerkt, het begrip openbare orde verder ingekleurd. Onder strijdigheid met de openbare orde moet volgens de minister in ieder geval worden verstaan hetgeen dreigt te leiden tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag.[8] Indien een werkzaamheid of doel dreigt te leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld, of het aanzetten tot haat of discriminatie wordt enkel vermoed dat dit in strijd is met de openbare orde. Het wetsvoorstel voorziet dus in ‘bewijsvermoedens’ om een verbodenverklaring en ontbinding te vereenvoudigen.[9] Men kan echter vraagtekens zetten bij het nut van deze nieuwe wettelijke handvaten. Hoewel het nieuwe artikel 2:20 BW een nadere invulling geeft aan het openbare orde-begrip, zijn begrippen als ‘internationale rechtsorde’ en ‘openbaar gezag’ even vaag, ruim en abstract. Het is maar de vraag of dit het openbare orde-begrip verheldert en een verbodenverklaring daadwerkelijk vereenvoudigt.[10] Is de rechtspersoon eenmaal ontbonden, dan kan de rechter het batig saldo na vereffening aan de Staat toekennen. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een bestuursverbod dat voorkomt dat bestuurders en feitelijk leidinggevenden gemakkelijk hun werkzaamheden voortzetten.[11]

De wetgever heeft minder uitgebreid stilgestaan bij de strafrechtelijke dimensie van de verbodenverklaring. Hoewel de verbodenverklaring van een rechtspersoon volgens het wetsvoorstel onmiddellijk werkt[12] en de strafmaat voor het deelnemen aan een verboden organisatie verdubbeld is, is volgens sommige auteurs onvoldoende nagedacht over de strafrechtelijke uitwerking van de nieuwe regeling.[13] Het wetsvoorstel bevindt zich echter nog in een vroeg stadium. Het is onlangs ingediend en het parlement mag zijn zegje nog doen. Mogelijk strandt het wetsvoorstel. Mogelijk is de definitieve wet een hele andere dan de minister in eerste instantie voor ogen had. Kortom, het is koffiedikkijken hoe het wetgevingstraject van de Wet verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen uiteindelijk zal verlopen.

  1. Wetsvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties

Naast een wijziging van de civielrechtelijke procedure tot het verbieden en ontbinden van rechtspersonen heeft de wetgever een ander middel geschikt geacht voor de aanpak van OMG’s en andere antidemocratische organisaties. Enkele Kamerleden hebben een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat beoogt een alternatieve en bestuurlijke procedure in het leven te roepen.[14] In de literatuur is hierop niet positief gereageerd en ook ik heb zo mijn twijfels.[15] Omdat de procedure via artikel 2:20 BW volgens de initiatiefnemers te lang duurt en de Hoge Raad de criteria voor het verbieden en ontbinden van een rechtspersoon tot op heden erg strikt uitlegt, introduceren de parlementariërs een bestuurlijke route. Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid dat de minister voor Rechtsbescherming bij beschikking een zelfstandige eenheid of organisatie kan verbieden. Let wel, waar artikel 2:20 BW enkel ziet op rechtspersonen, ziet dit wetsvoorstel op iedere zelfstandige eenheid of organisatie. Op deze manier wordt voorkomen dat antidemocratische organisaties een verbod omzeilen door zich in een andere vorm dan een rechtspersoon te manifesteren.

Slechts indien de werkzaamheid van een zelfstandige eenheid of rechtspersoon een cultuur van wetteloosheid creëert, bevordert of in stand houdt, kan de minister deze bij beschikking verbieden. Politieke partijen, kerkgenootschappen en vakbonden kunnen bovendien niet via deze bestuurlijke weg verboden worden. Ook maakt het wetsvoorstel het eenvoudiger om gedragingen van natuurlijke personen toe te rekenen aan de rechtspersoon door de in de jurisprudentie gehanteerde criteria te codificeren.

Het voert te ver het gehele wetsvoorstel te bespreken. Ik benadruk enkel dat er door het wetsvoorstel een alternatieve procedure wordt geschept die ogenschijnlijk vlotter verloopt, maar tevens minder rechtsbescherming lijkt te bieden. Ondanks eventuele bezwaar-, beroep- of zienswijzeprocedures, is dit mijns inziens problematisch. Een verbodenverklaring maakt inbreuk op de vrijheid van vereniging. Dit mag onder omstandigheden, maar een indringende – bij voorkeur voorafgaande – rechterlijke toets is in dat geval wenselijk. Met het traject dat het wetsvoorstel beoogt, komt de rechter pas na de beschikking van de minister aan bod. Dit is te laat. Liever preventief dan repressief. Daar komt nog bij kijken dat mijns inziens terecht de vraag wordt gesteld of een bestuurlijk verbod wel noodzakelijk is naast de bestaande procedure. De Raad van State heeft geadviseerd van een alternatieve route voor verbodenverklaring af te zien en de bestaande procedure, te weten artikel 2:20 BW, te verbeteren. [16] Helaas hebben de parlementariërs het advies van de Raad van State niet opgevolgd.[17] Ik denk ook dat versnelling van een verbodenverklaring besloten ligt in aanpassing van artikel 2:20 BW. Een alternatieve procedure is onhandig. De voorgestelde alternatieve procedure is zelfs op zijn zachtst gezegd dubieus.

  1. Conclusie

Kabinet Rutte III heeft zich voorgenomen de procedure tot het verbieden van antidemocratische rechtspersonen te vereenvoudigen en te versnellen. Met de aanhangige wetsvoorstellen geeft de wetgever invulling aan dit voornemen. De vraag is echter of we beter af zijn met de aanstaande wetgeving. Hoewel ik een aanpassing van artikel 2:20 BW niet onwenselijk acht, heb ik zeker mijn twijfels bij het invoeren van een tweede en alternatieve bestuurlijke procedure. Niet enkel omdat onzeker is of dit wel tot een versnelling leidt, maar ook omdat de procedure mogelijk te makkelijk met de vrijheid van vereniging omspringt. Het is maar de vraag of de wetsvoorstellen tot wet verworden en, zo ja, in hoeverre deze uiteindelijk gewijzigd zijn. In de tussentijd wachten we in spanning af.

 

[1] Rb. Midden-Nederland 20 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6242, JOR 2018/66, m.nt. R.J.B. Schutgens (Bandidos Motorcycle Club Holland); Rb. Den Haag 18 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7183 (Satudarah Motorcycle Club). Terzijde, zie voor een onderzoek naar het veroordelen van outlawbikers ook: A. Blokland, ‘Woorden maken werelden (en cijfers ook): hoe hoog is nu het percentage veroordeelde outlawbikers’ TvC, 2019 (61) 3.

[2] Regeerakkoord 2017-2021, Vertrouwen in de Toekomst, gepubliceerd in oktober 2017: www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-2017-vertrouwen-in-de-toekomst.

[3] Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 2.

[4] Kamerstukken II 2018/19, 35079, nr. 6.

[5] De evenknie van dit artikel voor het verbieden van buitenlandse organisaties werkzaam in Nederland is artikel 10:122 BW. Het kent een ietwat andere regeling.

[6] Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 3 (MvT).

[7] Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 2.

[8] Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 2.

[9] P.A.M. Mevis, ‘Strafrecht en het verbieden van rechtspersonen; misdrijven tegen de democratische rechtsorde’, DD 2019/40, par. 4.

[10] J. Koornstra, B. Roorda & J.G. Brouwer, ‘Antidemocratische rechtspersonen op ondemocratische wijze verbieden’, NJB 2019/1430, par. 2.

[11] Of een bestuursverbod ook aan middellijk bestuurders kan worden opgelegd is tot dusver echter onduidelijk. Zie: J. van der Weele, ‘Verbodenverklaring van rechtspersonen (II, slot)’, WPNR 2019/7235, par. 6.5.

[12] Voorheen duurde het erg lang voordat een verbodenverklaring definitief was. Dit gebrek is nu weggenomen.

[13] J. Koornstra, B. Roorda & J.G. Brouwer, ‘Antidemocratische rechtspersonen op ondemocratische wijze verbieden’, NJB 2019/1430, par. 5.

[14] Kamerstukken II 2018/19, 35079, nr. 3 (MvT).

[15] H.J.B. Sackers, ‘Over pogingen de ondermijning te ondermijnen’, TBS&H 2019/2, par. 2 verwijzende naar J. Koornstra, B. Roorda, M. Vols & J.G. Brouwer, Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs. Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief, Serie Politie & Wetenschap nr. 111, Den Haag: Sdu 2019; J. Koornstra & J. Brouwer, ‘Het verbieden van outlaw motorcycle gangs, een effectieve maatregel?’, AA 2018/09, p. 696-700.

[16] Kamerstukken II 2018/19, 35079, nr. 5.

[17] A.N. Kesteloo, ‘Verbod op motorclubs: het voorstel van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties’, TPWS 2019/64, par. 1.

Previous post

Gezocht: Team Masterintroductie

Next post

Een overzicht van de ontwikkeling van de beurs-BV: een bijzondere vennootschapsvorm