1. Inleiding

In de huidige samenleving wordt het privacyrecht steeds belangrijker. Dit komt mede door ‘het digitale tijdperk’ waar we ons in bevinden. Waar we vroeger afgingen op ons geheugen, verhalen en papieren geschriften, steunen we nu op het internet en technologie. Door de oude manier van werken ging informatie soms verloren, maar fouten die mensen maakten raakten makkelijker in vergetelheid. Dat is in de huidige tijd wel anders. Vrijwel alle informatie is wereldwijd opgeslagen en toegankelijk voor iedereen. Als iets eenmaal is gepubliceerd of iemand iets opvallends heeft gedaan, is het wel ergens te vinden. En staat iets eenmaal op het internet, dan blijft het daar voor altijd staan. Dit maakt het concept van een tweede kans of schone lei niet meer zo zeker. Het fenomeen ‘in vergetelheid raken’ is er niet meer bij. Van privacy is soms weinig meer over, omdat het te makkelijk is om alles over iemand te vinden. In sommige gevallen bestaat echter een uitweg: het recht om vergeten te worden, oftewel het vergeetrecht, een soort ‘in vergetelheid raken’ maar dan juridisch geregeld voor het internet.

In deze update zet ik uiteen wat het vergeetrecht is (paragraaf 2), de uitzonderingen met betrekking tot dit recht (paragraaf 3), de gevolgen van een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) (paragraaf 4) en tot slot geef ik mijn conclusie (paragraaf 5). 

2. Het vergeetrecht

In 2014 erkende het HvJEU in Costeja/Google ‘the right to be forgotten’ op grond van artt. 12 en 14 richtlijn 95/46/EG.[1] Deze richtlijn is inmiddels ingetrokken en vervangen door verordening 2016/679, ook wel bekend als de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). In art. 17 AVG is het zogenoemde ‘recht op vergetelheid’ opgenomen. Het vergeetrecht houdt het volgende in. Een gegevensverwerker, veelal een zoekmachine zoals Google of Yahoo, kan door een gerechtvaardigd beroep op het vergeetrecht worden gedwongen bepaalde informatie van het internet af te halen. Uit de zoekresultatenlijst die weergegeven wordt als er op iemands naam wordt gezocht, moet een zoekmachine alle koppelingen naar websites waar bepaalde informatie over die persoon te vinden is en/of informatie over een bepaald gebeuren staat, verwijderen.[2]

Een dergelijk verzoek tot verwijdering van gegevens hoeft een gegevensverwerker in beginsel slechts in te willigen indien sprake is van een van de opgesomde gevallen in art. 17 lid 1 sub a – f AVG. Een zoekmachine moet de gegevens verwijderen als:

a) de gegevens niet meer nodig zijn voor het doel waarvoor ze zijn verzameld,

b) de toestemming die is gegeven voor het verzamelen van de gegevens wordt

ingetrokken,

c) er bezwaar wordt gemaakt tegen het gebruik van de gegevens,

d) er sprake is van onrechtmatige verkrijging,

e) de bewaartermijn is afgelopen, of

f) het gaat om apps en websites gebruikt door kinderen.

3. Uitzonderingen

Op het bovenstaande geeft art. 17 lid 3 AVG een aantal uitzonderingen. Op het moment dat een van deze uitzonderingen opgaat, hoeft een verzoek tot verwijdering van gegevens niet te worden gehonoreerd. De wet geeft vijf uitzonderingen, maar ik bespreek slechts de eerste (sub a), omdat vooral hier nog onenigheid over bestaat in de rechtspraak.

Het gaat bij deze uitzondering om een botsing van twee grondrechten. Op het moment dat de grondrechten botsen, wordt er een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het recht op privacy, en dus verwijdering van gegevens die over iemand te vinden zijn, en anderzijds het recht op het kunnen raadplegen van informatie.[3] Als de verwerking van de gegevens bijvoorbeeld nodig is voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie, hoeft een zoekmachine informatie niet te verwijderen. Het recht op privacy is in een dergelijk geval tweederangs.

Het HvJEU heeft bepaald dat in beginsel de rechten van de door het artikel beschermde betrokkene voorrang hebben op de rechten van internetgebruikers die informatie over de betrokkene proberen te vinden.[4] De Hoge Raad houdt deze lijn aan en spreekt van een zwaarder wegend privacybelang.[5] Hoewel de Hoge Raad duidelijk maakt dat het recht op privacy in principe voorop staat, gaan niet alle rechters in Nederland daarin mee. Zwenne heeft in zijn bijdrage verschillende uitspraken van lagere rechters na het Costeja-arrest geanalyseerd en daaruit blijkt dat die rechters een iets andere afweging hebben gemaakt.[6] Lagere rechters zijn terughoudend om het privacybelang te laten prevaleren. Zij geven juist een zwaar gewicht aan de ‘belangrijke maatschappelijke functie’ die zoekmachines vervullen bij het verstrekken van informatie aan internetgebruikers.[7] Dit is niet in lijn met het Costeja-arrest, aangezien de HvJEU daar duidelijk het privacybelang voorop stelt. Deze prevalerende werking wordt volgens het HvJEU pas minder ‘in bijzondere gevallen’:

‘… dit evenwicht kan in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt.’ [8]

Een van de dingen die uit het bovenstaande naar voren komt, is het belang van de rol die iemand in het openbare leven speelt. In de rechtspraak is er nog geen duidelijke lijn ontwikkeld wanneer er precies sprake is van een ‘rol in het openbare leven’ waarbij het privacybelang wijkt. Uit de analyse van Zwenne blijkt dat het er vooral over gaat of iemand heeft gekozen voor een rol in het openbare leven.[9] Een gemeenteraadslid, iemand in de regering of iemand met een andere duidelijke publieke functie zal minder snel een beroep kunnen doen op het vergeetrecht. Het publiek heeft er bij die personen namelijk meer belang bij om zo veel mogelijk informatie te kunnen verkrijgen. Zodra iemand ‘de publieke belangstelling over zichzelf afroept’, moet er volgens de rechtbank ook met de consequentie van minder privacy worden omgegaan.[10]

4. Google/CNIL

Op 24 september 2019 heeft het HvJEU in Google/CNIL besloten dat het vergeetrecht toch niet zo ver rijkt als de autoriteiten op het gebied van privacy hadden gewild. De zaak gaat om een geschil tussen Google en de Franse privacywaakhond CNIL. Bepaalde zoekresultaten waren, na een verwijderingsverzoek, buiten de Europese Unie nog wel te vinden. CNIL wilde dat Google deze gegevens wereldwijd zou verwijderen.[11] Google was het daar niet mee eens en ging in hoger beroep tegen de boete die door CNIL was opgelegd. Zo kwam de zaak uiteindelijk via prejudiciële vragen bij het HvJEU terecht.

Het HvJEU oordeelde dat Google “niet gehouden is de links te verwijderen voor alle versies van zijn zoekmachine, doch enkel voor alle lidstaatspecifieke versies van die zoekmachine”.[12] Het HvJEU benadrukt in de zaak ook dat niet iedere staat (buiten de Europese Unie) zoiets als het vergeetrecht kent. De afweging van het belang van privacy aan de ene kant en het recht op informatie aan de andere kant kan per staat erg verschillen. De Uniewetgever heeft volgens het HvJEU deze afweging wel gemaakt voor lidstaten binnen de Europese Unie, maar niet voor de staten daarbuiten.[13] Dit komt er dus op neer dat Google, als er binnen de Europese Unie een verzoek wordt ingediend over het verwijderen van bepaalde gegevens, de zoekresultaten voor deze gegevens in de gehele Europese Unie moet verwijderen. Het HvJEU geeft nog wel aan dat lidstaten zelf strengere regels met betrekking tot dit vergeetrecht mogen invoeren en bepalen dat het vergeetrecht vanuit dat land wereldwijd geldt.[14] Let op: met een wereldwijd toepasbaar vergeetrecht vanuit een lidstaat, loop je het risico dat een land zich in de jurisdictie van andere landen gaat mengen die wellicht geen vergeetrecht kennen. Als bijvoorbeeld Nederland een wereldwijd vergeetrecht zou invoeren dan kan je vanuit de Verenigde Staten niet meer bij bepaalde gegevens en tast je juist daar het recht op informatie aan. Dit is echter een andere discussie.

5. Conclusie en samenvatting

Al met al kan ik concluderen dat de slogan ‘The internet never forgets’ tot op zekere hoogte juist is. Het kan de gebruiker van het internet in ieder geval een stuk moeilijker gemaakt worden om iets te vinden. Zodra een zoekresultatenlijst wordt opgeschoond kan je alleen via het oorspronkelijke artikel nog bij de informatie. Voor de opschoning moet men wel een verzoek indienen, dat alleen onder bepaalde condities kan worden ingewilligd.

Bij een dergelijk verzoek op het vergeetrecht, zullen rechters altijd het recht op privacy en het recht op informatie afwegen. Zeker in het digitale tijdperk worden beide rechten steeds belangrijker. Zoals u net heeft gelezen, stelt het HvJEU het privacybelang in beginsel voorop. De lagere rechters in Nederland zijn het daar niet helemaal mee eens en maken een evenwichtigere afweging per situatie. De algemene lijn in de jurisprudentie is in ieder geval dat als iemand een publieke functie heeft of een bepaalde rol in het openbare leven vervult, het recht op privacy niet snel zal prevaleren. Dan prevaleert het recht op informatie van de internetgebruikers, het publiek.

Gelukkig kan niet elke fout je blijven achtervolgen via het internet. Dit neemt niet weg dat het ‘in vergetelheid raken’ in onze moderne digitale tijd niet meer aan de orde is. Je moet er moeite voor doen en het gaat niet zonder slag of stoot.

[1] HvJEU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI: EU:C:2014:317 (Google/Costeja).

[2] HvJEU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI: EU:C:2014:317 (Google/Costeja).

[3] G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht 5 jaar later’, AA, 2019, p. 604-613.

[4] HvJEU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI: EU:C:2014:317 (Google/Costeja), r.o. 81.

[5] HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, r.o. 3.5.5.

[6] G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht 5 jaar later’, AA, 2019, p. 604-613.

[7] G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht 5 jaar later’, AA, 2019, p. 604-613.

[8] HvJEU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI: EU:C:2014:317 (Google/Costeja), r.o. 81.

[9] G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht 5 jaar later’, AA, 2019, p. 604-613.

[10] Rechtbank Den Haag 19 april 2018, ECLI: NL:RBDHA:2018:4672, r.o. 4.16; G.J. Zwenne, ‘Het vergeetrecht 5 jaar later’, AA, 2019, p. 604-613.

[11] ‘Google hoeft ‘vergeetrecht’ alleen in EU toe te passen’, Het Financieele Dagblad, 24 september 2019.

[12] HvJEU 24 september 2019, C-507/17, ECLI: EU:C:2019:772 (Google/CNIL), r.o. 73.

[13] HvJEU 24 september 2019, C-507/17, ECLI: EU:C:2019:772 (Google/CNIL), r.o. 61 en 62..

[14] HvJEU 24 september 2019, C-507/17, ECLI: EU:C:2019:772 (Google/CNIL), r.o. 72.

Previous post

De Verdieping I: Burgerlijk Recht

Next post

Vrouwen aan de top: van streefcijfer naar ingroeiquotum?